Hun kampement bestond uit meerdere aan elkaar gekoppelde voortenten, die samen een enorme binnenruimte vormden. Ergens daarachter bevond zich de caravan, waar ze in sliepen. Dan staakte het schreeuwen tegen de honden en zouden ze voor een uur of acht geen Pastis meer drinken. Onze tent bevond zich op hun route naar de toiletten en zo groetten we elkaar een aantal keren per dag. Of we wat kwamen drinken, vroegen ze. Het was de zomer van 1994 en wij waren, piepjong, voor het eerst samen op vakantie, met de auto van haar ouders. We knikten en zeiden ja.

Ik kreeg een biertje. De kussens van de Hartmanstoelen waren zacht. De honden moesten hun bek houden. Een slipper vloog hun kant op. Hij praatte. Over die kankerturken die heel Rotterdam overnamen. Over al die andere vuile buitenlanders. Dat hij moest betalen en al dat tuig alleen maar nam. Ik nam nog een slokje en wist niet hoe ik moest reageren. Hij was zo boos. Ik zei niet zoveel meer. We zeiden bedankt en gingen weer naar onze tent. Zij hadden het erg gezellig gevonden.

We probeerden af te koelen op het strand, maar ik zat op slot. Het was mijn eerste aanraking met haat. Ik kon niets uitbrengen. Het geweld dat mijn oren was binnengekomen sijpelde maar heel langzaam weer weg.

Met de jaren werd mijn huid iets dikker. Ik wende aan mensen met een ander wereldbeeld. Aan tegenstellingen. Aan fundamenteel verschil van inzicht. En toch gebeurde het opnieuw en werd ik dertig jaar teruggeworpen in de tijd.

We hadden Sjaak al jaren niet gezien. Maar nu zat hij bij ons op de bank. Hij praatte. Over alles wat hij niet had. Over de onbetrouwbare overheid. Dat hij nergens welkom was, alleen omdat hij weigerde zich te laten herprogrammeren door de onzichtbare elite. Omdat hij wel wakker was. En terwijl de sleutel van zijn BMW op tafel lag en hij zijn handen op zijn goed gevulde buik legde, concludeerde hij dat de joden zich in de oorlog zo moeten hebben gevoeld. Als opgejaagd wild. En dat je dit misschien niet mocht zeggen, maar toch.  

Ik roerde in de soep, weg van die bank. Ik sneed brood in de keuken, weg van deze man. Weg van deze denkbeelden. Weg van deze verongelijktheid. Weg van deze denkwereld. Mijn dikker geworden huid voelde gelukkig nog haarfijn aan dat dit haaks stond op alles was ik wilde zijn. Alles stond op het spel. Mijn geloof in een andere wereld, mijn geloof in pluriformiteit, mijn geloof in overbrugging van verschillen, mijn geloof in liefde voor alles wat leeft, mijn geloof in schoonheid van het leven, mijn geloof in kunst en poëzie, mijn geloof in zachtheid – in God.

Ik moest maar eens gaan, hoorde ik hem zeggen. Terwijl hij zijn jas aandeed in de gang, vocht ik tegen mijn tranen. En toen hij de voordeur achter zich dicht trok, voelde ik me weer als die jongen van 21 die nauwelijks bij machte was om zich staande te houden en dacht aan deze woorden van Gerard Reve: Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?


(Eventuele overeenkomsten met bestaande personen of situaties berusten op toeval; waar nodig zijn namen en herkenbare details gewijzigd.)