Dit wandbord hangt in menig doopsgezinde kerk en huishouden. Het is een relatief jonge tekst, waarmee dominee Sibold Sicco Smeding (1896–1970) in 1950 een prijsvraag won, die was uitgeschreven omdat er behoefte was aan een pakkende spreuk over de doopsgezinde identiteit. Jarenlang is zowel wandbord als de tekst ervaren als typisch doopsgezind en vormde het bijna een reclamebord voor deze religieuze traditie.
Maar wat is dat eigenlijk, mondig? Heeft het te maken met volwassen zijn? Of niet op je mondje zijn gevallen? En wat heeft dat met doopsgezinde identiteit te maken? In mijn masterscriptie met de titel “Heilige Grond – een herziening van het mondigheidsbegrip” onderzoek ik hoe het (doopsgezinde) geloofsgesprek nieuw leven kan worden ingeblazen door het begrip ‘mondigheid’ opnieuw te doordenken. Daarbij pleit ik voor een verschuiving van ‘monologische mondigheid’ – het vasthouden aan standpunten – naar ‘dialogische mondigheid’, waarin ruimte is voor wederkerigheid en het ontstaan van betekenisvolle ontmoetingen en het interpreteren van signalen. Je kunt de scriptie hier lezen.
Als ik mijn auto uitstap, staat hij met open armen bij de voordeur te wachten. ‘Ik heb niet zoveel met de kerk, maar welkom in mijn domein!’, zegt hij en gaat me voor, de keuken in van een statig pand aan de gracht. Er staat er een vleugel, er liggen kranten, er staat er een uitpuilende boekenkast en ik bespeur de geur van een houtkachel. Een huis waarin geleefd wordt, dat voel je. Hij gaat zitten op de bank en ik op een houten fauteuil waarvan de vering zijn beste tijd gehad heeft.
‘Geloof jij eigenlijk in God?’ De vraag wordt min of meer op me afgevuurd en ik moet even schakelen en een tandje gas bijgeven om een oud en onrustig verdedigingsmechanisme te onderdrukken. Ik ken dit soort vragen wel, denk ik. Het lijken kwalificatievragen, om te toetsen in welke zwaartecategorie ik thuishoor. En hier, in dit intellectuele domein van de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en boeken over Chagall, vermoed ik dat ik eerder te zwaar dan te licht bevonden wordt. Vroeger zou ik iets gemompeld hebben als ‘dat hangt ervan af wat je onder God verstaat’, maar nu zeg ik gewoon ja. Alle mitsen en maren doen er eigenlijk niet toe. En als ze wel aan de orde komen, dan liever in tweede of derde instantie. Ja.
We maken kennis en praten over zijn leven. Over zijn ouderlijk huis, over de kerk van vroeger en over zijn werk. En over het ziekenhuis waar hij in terecht kwam, balancerend op de grens van leven en dood. Tussen slapen en waken, terwijl hij eigenlijk te moe is om verder te leven, hoort hij een stem die zegt dat hij de berg die voor hem ligt, op moet gaan. De stem is niet bars, maar motiverend. Liefdevol. Aansporend. En met het kleine beetje kracht dat hij nog in zich heeft, gaat hij toch op pad. En daar, aan de top, als hij echt niet meer kan, ziet hij een licht. Alles valt op zijn plek. Alles is goed. Een explosie van liefde overvalt hem, voordat hij wakker wordt. Hij veegt een traan weg. Niet daar in het ziekenhuis, maar nu, hier, hij op de bank en ik op die stoel. En terwijl mijn ogen ook vochtig worden, stel ik hem dezelfde vraag. Of hij in God gelooft. “Nee”, zegt hij, ‘ik geloof niet meer, maar nu weet ik het zeker.’ En ik besef, dat ik me opnieuw vergist heb. Kwalificatie? Helemaal niet. Heilige rust. Liefdevol. Hij zwaait me na als ik weer in de auto stap.
Recente reacties